Herinneringen

Joep Silkens en Griet Verstappen 
Griet had een echte “poetsfiemel”. Ze wilde het altijd netjes hebben. Tot op hoge leeftijd had zij een vast poetsschema. Elke dag werd een andere kamer schoongemaakt. Zelfs als daar in onze ogen alles blonk als een spiegel.Op zekere dag was Griet ziek en moest het bed houden. Toen Joep weer eens naar haar kwam kijken, vroeg ze: “Joep, poets jij ook wel ? Ik hoor die stofzuiger nooit.”Niet lang daarna was het bekende geluid van een stofzuiger te horen. Het klonk alleen allemaal een beetje anders dan Griet gewend was.Ze besloot naar de woonkamer te gaan om daar eens een kijkje te nemen.Toen ze de woonkamerdeur opende, zag ze dat Joep in een luie stoel de krant zat te lezen, terwijl de stofzuiger alleen maar geluid maakte en werkeloos in de kamer stond.Joep en Griet waren op dat gebied twee tegenpolen. Griet hield van orde en netheid, terwijl Joep het niet zo nauw nam. “’t hoes mot mich dene !” (Het huis moet mij dienen) kreeg Griet vaak van hem te horen.

Joep Silkens (1911-1991)
Joep kon heel luid niezen. Hij deed dat het liefste waar veel mensen bijeen waren. Als na zo’n luide nies, iedereen zijn kant uitkeek, pakte hij een zakdoek uit zijn broekzak ( soms kon je meer spreken van een vuile poetsdoek) en snoot dan met een onschuldig gezicht zijn neus.

Baer Silkens (sr) (1866-1954)
Baer had een stuk land op Kitskesberg dat hij vaak per fiets bezocht. Hij moest daarvoor de Heinsbergerweg oversteken. Hij deed dat altijd zonder te stoppen en door gewoon de weg over te steken.
Als mensen hem daarop aanspraken dat hij onder een auto kon komen, antwoordde hij steevast: “Det ze maar wachte, ich bön aajer.” (Dat ze maar wachten, ik ben ouder)

Joep, Baer jr. en Lei
Joep werd vroeger “de Sjtoep” genoemd, omdat hij heel lang tamelijk klein was gebleven. Later kreeg hij een scheut en werd een sterke, forse kerel.
Lei werd “Bruutje” genoemd.( vrij vertaald een fraai portret) en Baer werd “de Soemel” genoemd. Ze deelden altijd met z’n drieén een pakje sigaretten van 20 stuks. Om de beurt kreeg een van hen een sigaret minder. “Gaef mich ins eine soemel” betekent zoveel als laat mij eens trekken van jouw sigaret.

Tant Reuske (1864-1879)
Voordat zij het klooster inging, werkte zij bij Felix Janssens in Roermond. Janssens had een winkel in tafel- en koffieserviezen, e.d.
Op zekere dag viel Reuske in de winkel flauw en de dokter werd erbij geroepen. Nadat hij haar onderzocht had, kreeg Felix Janssens op z’n donder, omdat Reuske verzwakt was. Volgens de dokter kwam dat doordat ze te weinig te eten kreeg.
Maar dat was helemaal niet terecht bleek later, want Reuske gaf haar eten aan arme mensen, die het harder nodig hadden.

Joep Silkens (1911-1991)
Op zekere dag was Joep weer met de bus op weg. Terwijl hij voor het stoplicht wachtte, stopte een auto naast de bus met twee dames van lichte zeden en die riepen Joep toe: “L’amour ! L’amour !”
Joep pakte daarop een landkaart en begon daar uitgebreid op te zoeken tot het licht weer op groen sprong en ieder weer een eigen weg ging

Sjraake Silkens (1940-1942)
In de Limburger Koerier van donderdag 12 november 1942 lezen wij het volgende:

Jongetje spelend onder een kar en gedood
Roermond. Het 2-jarige zoontje van de familie S. uit het Muggenbroek te Roermond geraakte spelenderwijs onder een kar en kreeg het zware wiel over het hoofd. Het knaapje was op slag dood. De voerman bemerkte pas het ongeval, toen het verschrikkelijke gebeurd was. De man treft geen schuld daar het knaapje blijkbaar al spelende den rijweg overstak, toen het paard reeds voorbij was. Zoodoende gebeurde het ongeluk achter den rug van den voerman.

Uitspraak Joep Silkens:
Euveral is get en wo nieks is kump get.
(Overal is iets en waar niets is komt iets)

“Gebed” van Bair Silkens (sr):
“Geef ons heden ons dagelijks brood en ieder jaar een watersnood”.
(Baer was verzekerd tegen overstromingen van de Roer).

Een laatste groet ?
Zaterdag 18 augustus 2012 zaten we voor de laatste keer samen buiten in het zonnetje.
Toen zijn ook de laatste foto’s van mijn moeder Griet Verstappen (1916-2012) gemaakt.
Toen we 25 augustus weer op bezoek kwamen, lag ze in bed. Ze had veel pijn gehad en zelfs om “mamma” geroepen. Ze bleef die dag in bed, zodat men haar beter kon verzorgen.
Haar bloedvaten waren aan het afsterven en vanwege haar hoge leeftijd kon men haar niet meer opereren. Haar voeten waren donkerblauw en deden steeds meer pijn.
Dinsdag 28 augustus ben ik nogmaals kort op bezoek geweest. De dosering morfine was verhoogd en ze sprak wartaal. Je kon haar ook nauwelijks verstaan. Kon wel nog verstaan dat ze tegen mij zei: “Wat ben jij nat !”
Ik liet haar mijn voorhoofd voelen, zodat ze kon voelen dat ik niet nat was.
Woensdag 29 augustus kregen we bericht dat het achteruit ging. Met mijn zus Liesbeth ben ik blijven waken, maar ze was helemaal niet meer aanspreekbaar. Ze reageerde nergens op. Ze bleef omhoog kijken zonder daarbij met haar ogen te knipperen. Toen de verpleegster haar ogen dicht maakte, deed zij die weer open. Ze reageerde ook niet op het licht dat aanging.
Het was erg warm in de kamer. Ik had ontzettende dorst en ging regelmatig naar de keuken om daar wat sap te drinken. Maar de dorst werd er niet minder op.
Naarmate de tijd verstreek, had ik steeds meer moeite mijn ogen open te houden. Omdat haar toestand niet veranderde, besloten we samen naar huis te gaan om een paar uurtjes te slapen en de volgende morgen weer terug te keren.
Donderdag 30 augustus was ik even na 1.30 uur thuis en ging direct naar bed.
Om 2.09 uur schrokken mijn vrouw en ik wakker en vlogen allebei rechtop in bed.
Het klonk alsof de deur van de slaapkamer plots met alle geweld werd open geduwd.
Maar dat was onmogelijk, omdat de deur altijd open is….
Om 2.45 uur ging de telefoon en hoorde ik dat mijn moeder om 2.30 uur overleden was. Vermoedelijk is de nachtzuster tijdens haar ronde rond 2.30 uur bij mijn inmiddels overleden moeder uitgekomen en heeft zij dat als tijdstip van overlijden genoteerd.
Voor mij blijft echter 2.09 uur het tijdstip van overlijden toen het leek alsof de slaapkamerdeur met alle kracht werd open geduwd.
Was het het misschien een laatste groet van mijn moeder ?

Nötte wölf
Dat zei vader Baer vaak tegen zijn zonen als ze weer iets hadden uitgespookt. |
En dat gebeurde regelmatig. Maar dat hadden ze beslist van geen vreemde.  Als ze na een streek weer  thuis kwamen, wisten Rie, Baer, Joep en Lei dat ze weer een pak slaag konden verwachten. En daar was hun vader ook niet misselijk mee.
Op zekere dag waren de jongens weer aan het spelen op een steenworp van hun ouderlijk huis. De naaister Netje was op weg naar de boerderij.
De jongens deden alsof ze ruzie hadden. Een van hen had een varkensblaas vol bloed onder zijn kleding verstopt. “De ruzie” laaide flink op en toen Netje wilde passeren, stak een van de jongens toe. Het bloed spoot uit de varkensblaas en de  jongen viel gillend van “pijn” op de grond. Netje rende schreeuwend en in paniek naar de boerderij om vader Baer te waarschuwen.
Toen Netje en Baer even later de plaats van het onheil bereikten,  waren de jongens verdwenen.
Vader Baer zal ongetwijfeld weer luid hebben geroepen: “Wach maar, nötte wölf !!!”
En de jongens wisten dat die woorden niet veel goeds voorspelden voor als ze straks thuis zouden komen.

Waarom dacht Hendrik Silkens dat hij zou gaan sterven ?
Op vrijdag 10 maart 1848 krijgt Hendrik Silkens uit Wessem (1828-1909) van M. Henissen
het boekje Ludovicus, Koning en martelaar geschreven door ene Clery, gevolgd door een verslag van de laatste uren van koning Lodewijk XVI opgetekend door zijn biechtvader abbé Edgeworth de Frimont.
Hendrik noemt in zijn boekje ook de namen van de overige leden van het huisgezin, waartoe hij behoort: zijn ouders Lambert Silkens en Maria Stevens, zijn broer Peter en zijn zussen Elizabeth en Roza. Hij vermeldt zichzelf als H. Silkens.
Het is niet het boekje,  dat onze aandacht trekt, maar de tekst die Hendrik in dat boekje geschreven heeft.
Ik heb de tekst overgenomen en alleen voorzien van hoofdletters en leestekens.

Middernacht is verschied. Mijne laaste dag breekt aan. O flikkerend sterrenlicht, sieraad der hemelbaan. Gelijk de daageraad uw schoonheid zal ontnemen, zoo komt de wrede dood mijn ooge het ligt beneme en doed mij voor het laast hier zien hoe het al vergaat. O schromelijke dag verberg uw dageraad. Laat toch uw gulden glans en wonderbaare stralen op dezen oogenblik ver van mij nederdalen. Verberg uw schoon tooneel, ontwaak mijn tranen niet. Uw luisterlijk vertoog verzwaart alleen maar mijn verdriet.
O Schepper, Heer en God, beheerscher onzer dagen stelt toch mijn geest gerust. Hoort aan mijn woelend klagen. Ontferm u mijn o Heer.
Waarom op mij zoo straf ? Waarom zoo spoedig heen mij trekken naar het graf ? Ach moet ik sterven in den bloei mijner jaaren en met de grijsaard reeds aan naar de graf reeds ….  varen. Moet ik dan uit mijn jeugd zoo worde weggerukt ? Gelijk een bloem in volle gloei wort afgeplukt ?
Doch o goed God uw wil moet toch geschieden en zal de mijne zijn zoo gij mij komt ontbieden.
Hoe zoet het leeve is o Heer van alle goet, ik steek mijn arme uit en kom u tegemoed.

We weten niet wanneer Hendrik de tekst in het boekje heeft geschreven.
Als hij het boekje in 1848 gekregen heeft, moet hij minstens 20 jaar oud zijn geweest.

In het boekje staat ook nog het jaartal 1852, maar dat staat niet bij de tekst van Hendrik.
De tekst maakt duidelijk dat Hendrik denkt dat hij gaat sterven. Is hij ziek of waarom denkt hij dat ?
We kunnen het Hendrik helaas niet meer vragen. We zullen waarschijnlijk ook nooit te weten komen waarom hij dacht te gaan sterven.
We weten wel dat hij nog heel wat jaren geleefd heeft en op de gezegende leeftijd van 81 jaar uiteindelijk in Roermond is overleden. Veel later dan dat hij dacht bij het schrijven van de tekst in zijn boekje.

Hendrik (Driek) Silkens (1828-1909)

Nog nooit zo’n lekkere haan gegeten
Jacob Verstappen (1878-1960) ging vaak naar Duitsland om te handelen.
In de Andreasstraat in Düsseldorf bezat hij zelfs een eigen zaak.
Op zekere dag vroeg een dame of hij niet een lekkere haan voor haar had.
Jacob beloofde daarvoor te zorgen. Thuis lag op de mesthoop een haan, die het loodje had gelegd. Jacob nam die haan mee en verkocht die aan de dame.
Een paar dagen kwam de dame opnieuw in zijn zaak en liet Jacob weten dat ze nog nooit zo’n lekkere haan gegeten had.
Ze had eens moeten weten……

Vrije vertaling uit een interview met Mia Cox-Hamans (1907-1999)

Mijn moeder (Anna Hamans-Silkens) was streng. Streng tot en met. Ik moest om 7 uur opstaan, aankleden en dan een ellenlang morgengebed op de knieën opzeggen.
En dat voor een kind van 5-6 jaar.
Als ik 2 minuten te laat van school thuis kwam, zwaaide er wat. Andere kinderen dartelden altijd na school nog wat rond, maar ik moest telkens in volle vaart naar huis.
Ik was alleen thuis. Zoiets deelde je niet met vriendinnetjes. Als ik broers of zussen had gehad, had ik daar met hen over kunnen praten.
De moeder van mijn moeder (Maria Christina Oijen) wou niet dat mijn moeder en haar broer Baer gingen trouwen. Broer en zus moesten van haar bij elkaar blijven. Misschien was dat ook wel de oorzaak dat ze zo de puntjes op de i zette. Als kind besef je dat niet zo, maar als je ouder wordt, ga je daar over nadenken.
Mijn vader kwam van een boerderij op de Schuitenberg en bracht melk rond. Mijn moeder deed dat ook en zo hebben ze elkaar leren kennen. Ook Baer bracht melk rond. Betje werkte ergens in het huishouden en Baer bracht daar de melk. Zo hebben zij zich leren kennen.
Maar dat moest allemaal stiekem gebeuren. Nadat hun moeder gestorven was, zeiden Anna en Baer dat ze al zo lang kennis hadden en dat ze wilden trouwen. Hun vader zei dat hij daar helemaal niets op tegen had.
Zodoende trouwden Baer Silkens en Betje Kuipers en Joseph Hamans en Anna Silkens
allebei op 28 november 1905, ruim een jaar na de dood van hun moeder.
Bij haar moeder werd later een borst afgezet. Ze zou veel te lang gewacht hebben. Nadat ze overleden was, bezocht Baer zijn overleden zus.
Hij streelde haar en zei: “Och Anna, des doe weg bös”.
Baer zat vol streken. Hij reed zonder licht op de fiets.
Als hij zondags na de mis op de fiets naar huis reed riep hij:
“Wiek uch ! Wiek uch !” (Opzij ! Opzij !)
Zijn dochter Maria was bang dat hem iets zou overkomen en vroeg aan de politie of ze hem niet eens aan konden houden en hem eens flink op zijn donder konden geven.
De politie hield hem op een gegeven moment aan. Baer zei: “Ich baej mich heel good veur uch” (Ik zal heel goed voor jullie bidden). De agenten vertelden later aan Maria dat ze niet tegen hem op konden en hem hadden laten gaan.
Betje was volgens Mia een hittepetitje, maar geen kwaad mens. Ze kwam van Weert en dat was toch een heel ander slag dan de mensen van Roermond.
Na de geboorte van een doodgeboren kind herstelde ze niet meer. Ze werd op een houten brits over een karrenspoor naar het ziekenhuis gebracht (het huidige Louisapension) waar ze ook overleed. Baer wist zich totaal niet te helpen in het huishouden. Zijn zus Anna kookte de eerste tijd nog voor hem.
Pater van Liempt zorgde dat Jacoba Rozen, een oudere pastoorsmaagd uit Sint Oedenrode als huishoudster het huishouden ging doen. Volgens Mia was het een lieve vrouw met een Brabantse muts op. Ze werd door iedereen tante Koos genoemd.
Driek Silkens was molenbaas (soort knecht) op een molen. Hij schijnt ijzersterk te zijn geweest. Hij werd eens op een paadje langs de Roer overvallen. De overvallers werden door Driek echter behoorlijk toegetakeld. Volgens Mia dronk hij graag een glaasje bier. Ze mocht bij hem op de schoot zitten en hij liet haar dan proeven.
Er verschenen ook regelmatig bedelaars aan de deur. Vaak kregen ze dan eten van haar moeder.
Op zekere dag verscheen Mieke Tip Tip, die schijnbaar veel katten had. Mia riep haar moeder: “Moder, dao is Mieke Tip Tip !” Waarop Mieke tegen haar zei: “Kiendje, ich heit neet Mieke Tip Tip, maar Mieke Strooi”.
Er kwam ook regelmatige een vettige bedelares aan de deur. Haar vader had haar moeder verboden die vrouw nog iets te geven. Haar moeder kon dat niet over haar hart verkrijgen en gaf de vrouw een stuk spek. Toen haar vader thuis kwam, zei Mia: “Vader, moder haet die vrouw gein sjtök sjpek gegaeve.” (Vader, moeder heeft die vrouw geen stuk spek gegeven) Haar vader wist toen genoeg.
Mia vond het erg dat niemand van haar leeftijd meer in leven was. Daardoor kon ze niet samen met iemand herinneringen van vroeger ophalen en kon men elkaar niet aanvullen.

Anna Hamans-Silkens,
de moeder van Mia

Willemien Silkens (1945-2016)
Asse geis, dan geise.
(Als je gaat dan ga je)

Gein nate veut (Geen natte voeten)
Toen mijn moeder (Griet Silkens-Verstappen 1916-2012) nog helder was, hebben wij verschillende keren besproken hoe zij een en ander geregeld wou hebben na haar overlijden.
Ze wou gecremeerd worden en dat haar as bij een aflopend bosje nabij “Het Vrijthof” uitgestrooid zou worden.
“Maar neet te deep, angers krieg ich nate veut” (“Maar niet te diep, anders krijg ik natte voeten”) zei ze er dan gekscherend bij. Onder aan dat bosje stroomde namelijk een beek.

Ze wilde dat alleen haar twee kinderen en hun wederhelften erbij zouden zijn. Ook moest het nieuws van haar overlijden pas na de crematie bekend worden gemaakt.
Ze had mij gezegd welke drie platen ze graag bij haar afscheid wilde horen.
“Cent mille chansons” van Frida Bocara. Toen ze die plaat eens op de radio hoorde, zei ze spontaan tegen mij. “Die plaat mosse sjpele op mien begrafenis”. Verder “Ave Maria” van Mario Lanza en “Schön war die Zeit” van Roger Whittaker.
Om voor zo’n kort afscheid de aula van het crematorium af te huren, was natuurlijk gekkenwerk.
Nadat ik haar as had opgehaald, heb ik gewacht tot de dag dat ik die ging uitstrooien.
Ik heb de urn voor mijn computerscherm gezet en keihard de drie nummers afgespeeld.
Dat deed zij ook altijd als ze een mooie plaat op de radio hoorde.
Daarop heb ik haar as naar haar laatste rustplaats gebracht en daar uitgestrooid.
Maar niet te diep natuurlijk, anders zou ze natte voeten krijgen………

Menke Haok
Achter de boerderij op het Muggenbroek stroomde de rivier de Roer.
Die rivier was met zijn kolken en stromingen niet bepaald ongevaarlijk.
Misschien werd daarom wel het verhaal over Menke Haok bedacht
om de kinderen weg te houden van de rivier.
Menke Haok leefde in de Roer en trok kinderen, die te dicht bij de oevers
van de Roer kwamen, met zijn haak in het water.
Het verhaal van Menke Haok had succes. Wij meden de oevers van de Roer uit angst door Menke Haok met zijn haak in het water getrokken te worden.

En d’r waert gewerk en wie langer wie helder
Hans, Ien en Griet Verstappen moesten thuis hard meewerken.
’s Morgens in alle vroegte werden ze al door hun vader gewekt. Hij schijnt daarbij buiten op klompen met spijkertjes eronder rond te hebben gelopen. En dat was op hun slaapkamers duidelijk te horen.
Voor dag en dauw moesten ze al met hem mee om boomstammetjes uit de bossen te slepen. Griet was de jongste van de drie en bang in het donkere bos. Zeker als ze Hans en Ien niet bij kon houden. Ze trapte daarom soms expres op de takken van degene die voor haar liep om die zo af te remmen. Dat werd nou niet bepaald in dank afgenomen.
Na school stond hun vader hen aan school op te wachten en moesten ze weer aantreden. Dus van spelen met klasgenootjes kwam niet veel terecht.
En als je met eieren in kalkwater moest werken, was dat ook geen pretje. Zeker als je een wondje aan je hand had.
Vaak kregen ze van hun vader te horen: “En d’r waert gewerk en wie langer wie helder.” (Er moet gewerkt worden en dat steeds harder).

De drie Pruuse
Hans, Ien en Griet waren alle drie in Düsseldorf geboren en werden door hun jongere broers ook wel de drie Pruuse genoemd.